‘Kijk bij FOAKs vooral ook naar kapitaalbehoefte’
Hoewel plastic uit restafval terugwinnen de recyclingopbrengst vergroot, is het de vraag of dit beter werkt dan het plastic op voorhand al te scheiden. Onderzoekers van de Universiteit Gent onderzochten deze afweging: moet je ‘vies’ plastic recyclen voor een grotere opbrengst of maken achtergebleven schadelijke stoffen de nieuwe voedselverpakkingen onveilig? Ze publiceerden hun onderzoek in Nature.
Moeten we thuis ons plastic afval blijven scheiden, of kunnen moderne sorteermachines dat net zo goed achteraf doen? Die vraag staat centraal in een nieuwe studie van de Universiteit Gent, die deze maand verscheen in Nature.
De discussie draait om twee manieren van afvalinzameling. Bij bronscheiding verzamelen huishoudens plastic, metalen en drankverpakkingen (PMD) apart. Bij nascheiding, of post-sorting (PoSo), verdwijnt alles eerst in het restafval, waarna sorteermachines de recycleerbare materialen eruit halen.
‘Het idee leeft dat sorteermachines plastics even zuiver uit restafval kunnen halen als bij bronscheiding,’ zegt De Meester, hoofddocent aan de vakgroep Groene Chemie en Technologie van de Universiteit Gent en corresponderend auteur van het onderzoek. Hij legt uit dat PoSo kostenefficiënter is dan PMD en recent onderzoek stelt dat de kwaliteit van PoSo best meevalt. ‘Daardoor ontstaat de gedachte dat bronscheiding niet meer nodig is.’ verklaart De Meester. ‘Ik vind dat geen goede trend,’ vervolgt hij. ‘En ik vond het ook moeilijk te geloven dat de kwaliteit uit beide systemen gelijk is. Dus dacht ik: ik zal dat onderzoek zelf eens doen.’
De eerste conclusie van De Meester en zijn collega’s kwam ietwat verrassend: de zuiverheid van het polymeer zelf (bijvoorbeeld: het percentage polypropeen in een samengeperst blok gesorteerd polypropeen) is bij nasortering vaak vergelijkbaar met die van bronscheiding. Maar, zeggen de onderzoekers, de ‘restjesjacht’ heeft wel een keerzijde: nagesorteerd plastic komt in contact met organisch restafval en is dus ‘viezer’, wat intensief wassen noodzakelijk maakt. Verder krijg je met nasortering van voornamelijk flexibele plastics (LDPE; lagedichtheidpolyetheen) drie keer zo veel vluchtige stoffen (VOC’s), wat gerecyclede producten laat stinken.
Maar de belangrijkste conclusie is dat bij nascheiding niet alleen verpakkingsmaterialen in de plasticrecyclaatstroom terechtkomen. Ook materialen uit het restafval, zoals speelgoed, textiel en elektronica, kunnen worden mee gerecycled. Hierdoor kunnen zware metalen zoals lood en cadmium, evenals andere schadelijke stoffen als chloor, in het gerecycleerde materiaal terechtkomen. Zo bevatten nagesorteerde monsters zelfs na intensief wassen tot wel duizend keer zoveel lood als PMD-monsters.
Voor hun data voerden De Meester en zijn collega’s een uitgebreide bemonsteringscampagne uit bij een Nederlandse sorteerfaciliteit die zowel brongescheiden (PMD) als nagesorteerd (PoSO) afval verwerkt op dezelfde sorteerlijn. Daardoor bleven condities zoveel mogelijk gelijk. ‘Om variatie in de sortering nóg beter uit te sluiten, hadden we wel honderden sorteercentra kunnen bezoeken,’ verklaart De Meester. ‘Maar dat is praktisch onhaalbaar.’
Dat blijkt wel uit de samplingmethode. Voor elk van de vier onderzochte plasticsoorten verzamelden de onderzoekers drie willekeurige afvalzakken van zestig liter. Vervolgens groeven ze nog wat verder door de afvalhopen, en selecteerden ze tien identieke objecten van hetzelfde merk (dezelfde specifieke shampooflessen, melkpakken, et cetera) en speurden ook nog naar speelgoed, textiel en elektronisch afval.
Daarna kwam de monstervoorbereiding. Om kruisbestuiving van data te voorkomen reduceerden de onderzoekers hun plastictypen per sorteermethode tot samengestelde monsters. Daarvan bepaalden ze onder andere de hoeveelheid aangekoekt vocht en etensresten door het gewicht van het plastic te vergelijken vóór en na een grondige was- en droogbeurt.
Ook maakten de onderzoekers een poeder van een deel van de monsters voor chemische analyse. Hier bepaalden ze verschillende eigenschappen van, zoals de geurintensiteit en metaalconcentraties. Ook analyseerden ze aanwezige halogenen zoals chloor en broom.
De Belgische onderzoekers concluderen dat bronscheiding altijd prioriteit moet krijgen om aan Europese recycledoelstellingen te voldoen. Maar scheid je plastics óók nog eens uit ongesorteerd restafval, dan filter je er altijd nog wat recyclebaars uit dat anders verbrand of gestort zou worden. Het is dus meer een ‘extraatje’, dan een vervanging.
Nu De Meester en co de kwaliteit van gerecyclede nascheiding beter kennen, willen ze uitzoeken welke beleidsinterventies het meeste succes hebben voor de kwaliteit en hoeveelheid van het gerecycleerde materiaal.
Ook is de groep druk bezig met nieuwe testen ontwikkelen voor de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid. ‘Die willen weten wanneer polyolefinen veilig genoeg zijn om te verwerken in recyclaten die in contact komen met voeding’, verklaart De Meester. Dat werk valt onder de paraplu van het NWO CLEANpack-project, waar bijvoorbeeld ook de Universiteit Maastricht aan mee doet.
Schmuck, A., Belé, T.G.A., Withoeck, D. et al. Analysis of trade-offs of post-sorting plastic packaging. Nature 654, 383–390 (2026). https://doi.org/10.1038/s41586-026-10606-4
Elke woensdag in je inbox: het laatste chemie- en life sciences nieuws uit Nederland en Vlaanderen, aangevuld met analyses, achtergronden en meer!
Registreer je gratis en ontvang de nieuwsbrief, creëer je eigen profiel en reageer op onze artikelen.
Register for free and receive our newsletter.
Nog geen opmerkingen
Alleen geregistreerde gebruikers kunnen opmerkingen bij dit artikel plaatsen.
Aanmelden of registreer om te reageren.